Afgelopen weekend verscheen in de Volkskrant een bijlage over het grote succes van de Nederlandse vrouwen op de Olympische Spelen. Al sinds 1992, het geboortejaar van Dafne Schippers, behalen Nederlandse vrouwen op de Olympische Spelen meer medailles dan de mannen. Maar het is niet altijd zo geweest dat vrouwen überhaupt mee mochten doen aan de Spelen. Hierover schreef Jules Boykoff een interessant stuk voor Bitch Media – het is het alleen al waard om het te lezen vanwege de fantastische foto’s van vintage atletes.

De Poolse Jadwiga Wajsówna op de Spelen in 1936

Vrouwelijke sporters maken de Spelen oninteressant

Begin twintigste eeuw waren tennis en zwemmen twee van de weinige sporten waar vrouwen aan mee mochten doen. Het was “welbekend” dat sporten als lange afstand lopen zo slecht voor het vrouwelijk lichaam zouden zijn, dat de baarmoeder zou kunnen verzakken. Tussen 1928 en 1960 mochten vrouwen dan ook niet deelnemen aan bijvoorbeeld de 800 meter hardlopen, laat staan aan de echte duurloop afstanden.

After the 1912 Stockholm Games, IOC President Baron Pierre de Coubertin and many of his IOC colleagues believed “an Olympiad with females would be impractical, uninteresting, unaesthetic and improper.”

Amerikaanse vrouwen mochten begin twintigste eeuw ook niet meedoen aan het zwemmen: alle sporten waarbij ze geen lange rok aan konden waren off limits, en zwemmen in lange, zware kleding was én niet nuttig voor het halen van medailles, én gevaarlijk voor de atletes zelf.

De Vrouwenspelen

In 1921 hadden de vrouwelijke sporters genoeg van de uitsluiting vanuit het IOC, en namen het heft in eigen handen. De Franse roeister Alice Milliat richtte op 31 oktober 1921 de FSFI op, de Fédération Sportive Féminine Internationale. Bij hun eerste bijeenkomst stemde de beweging voor een officiële Vrouwen Olympische Spelen als alternatief voor de male-centric Spelen van die tijd. In totaal zijn er vier Vrouwenspelen georganiseerd: in 1922 in Parijs, 1926 in Gothenburg, 1930 in Praag en 1934 in Londen. De deelnemers kwamen vooral uit Amerika, West Europa en Japan.

Alice Milliat, voorzitster van de FSFI

In 1936 was de FSFI gegroeid van vijf deelnemende landen tot dertig (!), en had inmiddels goede banden met de International Association of Athletic Federations. Helaas bleek dat, hoe sterk hun strijd en initiatief ook was, het moeilijk was om ergens te komen en serieus genomen te worden zonder de steun van het mannelijke sport establishment.

Lees in het stuk van Boykoff verder over hoe het de vrouwenbeweging binnen de Olympische Spelen verging. Met al het vrouwelijke succes van de afgelopen jaren is het bijna niet te geloven dat de uitsluiting van vrouwen op de Spelen nog tot zo kort geleden voortgeduurd heeft…

———
Squad Out.